SOCIAAL DOMEIN-EXPERT
OTWIN VAN DIJK
EERST EEN GEZAMENLIJK MENSBEELD

Laten we terugkeren naar de bedoeling van de decentralisaties: mensen helpen om richting te geven aan hun leven. Dat is de oproep van Otwin van Dijk, burgemeester van Oude IJsselstreek en voormalig Kamerlid. Divosa vroeg hem om te reflecteren op de vijf ervaringsverhalen in deze bundel. Welke lessen kunnen we daaruit leren? Een gesprek over vakmanschap, scheve mensbeelden en protocollenterreur. ­

Allereerst deelt hij complimenten uit aan gemeenten. Met enorm veel inspanningen hebben zij de decentralisatie een zachte landing gegeven. Lef, dat is een ander woord dat in hem opkomt. In de vijf verhalen leest hij dat gemeenten enorme inspanningen verrichten en ook echte keuzes durven maken om de uitvoering op een soepele en slimme manier vorm te geven. Een grote opgave, omdat er fors minder geld beschikbaar is. “Ik ben optimistisch over de zoektochten van deze gemeenten, die van doorzettingsvermogen getuigen.”
Als Tweede Kamerlid voor de PvdA was Van Dijk voorstander van de decentralisaties en dat is hij nog steeds. Ook de financiële opdracht om de kosten aanzienlijk terug te dringen, staat voor hem recht overeind. “We zagen dat de de kosten van de AWBZ uit de klauwen liepen; het werd gewoon te duur. Er is niks sociaals aan om de boel te laten ontsporen. Daar worden kwetsbare inwoners de dupe van. De gemeente staat ook veel dichter bij inwoners. Als je bovendien niet voor alles steeds aparte bijzondere voorzieningen maakt, maar de samenleving gewoon inclusief voor iedereen, dan is dat ook een stuk goedkoper én beter. Vraag mensen persoonlijk ‘Wat vind je dat je nodig hebt?’ en je krijgt negen van de tien keer een oplossing die eenvoudiger en vaak ook goedkoper is.”

ANDER MENSBEELD
Maar knelpunten zijn er volop. Zo signaleert Van Dijk dat de integrale uitvoering van jeugdzorg, werk en inkomen en maatschappelijke ondersteuning de vijf gemeenten moeite kost. Deze wetten gaan uit van een ander mensbeeld, stelt hij. Dat wringt. “In de Participatiewet zit veel wantrouwen in de burger. De aanvrager van een uitkering is al snel een potentiële fraudeur, die weigert om de taal te leren. Dat moet dan afgedwongen worden met een taaltoets. De Wmo en Jeugdwet daarentegen gaan juist weer uit van de zelfredzame burger, die met een beetje hulp zelf zijn oplossing creëert.

OTWIN VAN DIJK

Otwin van Dijk is op diverse manieren betrokken bij de decentralisaties in het sociaal domein. Hij was van 2005 tot 2012 wethouder Sociale Zaken in de gemeente Doetinchem. In 2012 werd hij namens de PvdA lid van de Tweede Kamer, waar hij zich intensief bezighield met de debatten rondom de decentralisaties. Hij zette zich ook in voor ratificatie van het VN-Verdrag voor gelijke rechten voor mensen met een beperking. Op dit moment is hij ambassadeur voor het VNG-project VN-Verdrag Handicap.
Van Dijk is rolstoelgebruiker, als gevolg van een ongeluk op zijn achttiende jaar. De toegankelijkheid voor mensen met een beperking ligt hem na aan het hart. Sinds 2009 is hij voorzitter van de landelijke stuurgroep ‘Alles Toegankelijk’, een initiatief van overheid, bedrijfsleven en zorginstellingen om producten en diensten voor iedere Nederlander toegankelijk te maken. Sinds 2016 is hij burgemeester van Oude IJsselstreek.

‘De zoektochten van deze vijf gemeenten getuigen van doorzettingsvermogen’

Die verschillen zie je niet alleen terug in de cultuur bij medewerkers, maar ook in de verantwoordingseisen.” Van Dijk is een groot fan van het VN-Verdrag voor de rechten van mensen met een beperking. Dit verdrag ziet burgers als mensen met gelijke mogelijkheden. “Het verdrag zet de mens centraal: de burger krijgt alle kansen om zich te ontplooien als mens. Dat mensbeeld zou de basis moeten zijn voor alle taken die de overheid uitvoert, ook in het sociaal domein.” Dat is nu niet zo en terugblikkend vindt Van Dijk dat de Tweede Kamer in 2012 eerst dit VN-verdrag had moeten ratificeren. Dat gebeurde uiteindelijk pas in 2016.

BONDGENOOT BIJ PECH
Een tweede knelpunt is volgens Van Dijk de verhouding tussen inwoners en publieke instellingen. “Roep op een verjaardag de woorden ‘woningcorporatie’, ‘zorgverzekering’ en ‘sociale dienst’ en zeg verder niets. Dan krijg je te horen dat zorgverzekeraars op miljoenen euro’s zitten, terwijl het eigen risico omhooggaat. Je hoort mensen vertellen dat hun huurhuis lekt, terwijl de woningcorporatie een groot schip of een Maserati koopt. Of je hoort verhalen over klantmanagers bij gemeenten, die aanvragers veel formulieren laten invullen, terwijl ze eigenlijk tot rust moeten komen. Voor veel mensen zijn deze organisaties geen bondgenoot meer bij pech, maar een obstakel bij het inrichten van hun leven.”
Het is een morele opgave voor deze instituties om zich opnieuw uit te vinden als bondgenoot, vindt Van Dijk. “Als inwoners de publieke sector als vijand zien, dan staat dat de ontwikkeling van een inclusieve samenleving ernstig in de weg. Die inclusieve samenleving kan alleen tot bloei komen als aanbieders in zorg en welzijn, zorgverzekeraars en gemeenten dichtbij de inwoners gaan staan. Ze dienen hun een stem te geven in hun eigen ontwikkeling.”

DOORGESCHOTEN
Dit raakt volgens Van Dijk het derde vraagstuk, dat over de inclusieve samenleving gaat. “Jarenlang zijn we meer gericht geweest op exclusie dan op inclusie. We plakken het liefst een label en verzinnen aparte oplossingen voor mensen met een beperking. Als het openbaar vervoer slecht toegankelijk is, verbeteren we niet de bussen, maar laten kostbaar aangepast vervoer rijden. Hetzelfde hebben we gedaan met het speciaal onderwijs en de sw-bedrijven. In Doetinchem waren er 2000 mensen aan het werk op één vierkante kilometer in een sw-bedrijf, totaal geïsoleerd van de samenleving. Nog voor de invoering van de Participatiewet lukte het met goede afspraken met het bedrijfsleven om ruim driekwart van hen aan het werk te helpen in het reguliere bedrijfsleven. De sw-medewerkers vonden dat fijner en het bedrijfsleven was ook enthousiast. Het kan dus wél.”
Hij vervolgt: “We willen heel goed zorgen voor mensen met een beperking, maar schieten daarin door. Daardoor geven we te veel geld uit en creëren geen echte ontmoeting en verbinding. Hoe inclusief is onze samenleving echt? Gemeenten en zorgaanbieders moeten zich gezamenlijk sterk maken om wat al bestaat toegankelijk te maken, zodat iedereen daadwerkelijk onderdeel van de samenleving kan zijn. Het normale als uitgangspunt nemen. Dit zorgt ook voor eenvoudigere en vaak goedkopere oplossingen.”

‘Voor veel mensen zijn publieke instanties een obstakel bij het inrichten van hun leven’

PROTOCOLLENTERREUR
De gekozen oplossingen zijn vaak de oplossingen van de overheid of professional, niet van de aanvrager. En dat is het vierde vraagstuk dat Van Dijk signaleert. “Ik noem het protocollenterreur, die mensen dwingt tot oplossingen die niet van henzelf zijn.” Zelf heeft hij hier ruime ervaring mee. Na zijn revalidatie liep Van Dijk bij de aanvraag voor een rolstoel meteen tegen protocollen en regels aan: een dure elektrische rolstoel kon hij zó krijgen, voor de sportieve lichte rolstoel van zijn eigen keuze moest hij veel moeite doen. “Ik moest zelfs procederen om de rolstoel te krijgen die het beste bij mij paste en ook nog eens goedkoper was.” Die ervaring motiveerde hem als Kamerlid om het ‘persoonlijk plan’ op te nemen in zowel de Wlz als de Wmo: als gebruiker kun je zélf opschrijven wat voor hulpmiddel of voorziening je nodig hebt. “In feite kun je hiermee je eigen indicatie schrijven. Mensen zijn daar veel vaker toe in staat dan je denkt. Met dat persoonlijk plan krijg je eigen regie en moet het lukken om maatwerk te leveren. Daarbij kunnen we mensen ook meer leren om zelf taken of stukjes hiervan weer uit te voeren. Een vrouw die zelf insuline leert inspuiten, krijgt er vrijheid en autonomie voor terug. Ik ben er dan ook heilig van overtuigd dat het revaliderend karakter terug moet in de zorg en maatschappelijke ondersteuning. Niet even een indicatie tikken met wat iemand niet meer kan, maar eerst kijken of er weer wat te leren valt.”

VAKMANSCHAP
Een terugkerend element in de verhalen van Weststellingwerf, Vught, Westland, Dronten en Huizen is vakmanschap. Dat is inderdaad een belangrijke succesfactor voor de integrale uitvoering, denkt Van Dijk. “Zorg dat professionals de ruimte krijgen om hun vak uit te oefenen. Houd de teams klein en val ze niet te veel lastig met coördinatietaken en protocollen. Het zou mooi zijn om de zakelijke aanpak van Werk & Inkomen te kruisen met de bredere blik van de Wmo.”
Toch heeft hij ook zijn twijfels. Hebben we het niet te complex gemaakt? ‘De bedoeling snap ik, maar als je regisseurs of coördinatoren nodig hebt voor processen, is dat dan niet een teken dat het misschien te ingewikkeld is? Elke wet kent ook z’n eigen intake- en aanvraagprocedure. Ik denk dat dat beter kan. Als we nou eens één integrale intake in de wet zouden verankeren. Met een gezamenlijke intake voor werk, zorg en maatschappelijke ondersteuning maak je het een stuk makkelijker voor de uitvoering.”
Voor gemeenten is het moeilijk om samen te werken met honderd verschillende zorgaanbieders of meer. Zijn eigen gemeente Oude IJsselstreek heeft er zelfs 350. “Met zoveel spelers kun je geen wedstrijd spelen. Voor cliënten met stevige eigen wensen en expliciete keuzes moet keuzevrijheid mogelijk blijven. ”

BEDRIJFSVOERING
Welke rol ziet hij bij dit alles weggelegd voor de rijksoverheid? “Het Rijk kan gemeenten helpen om de bedrijfsvoering te verbeteren voor bekostiging, facturatie en verantwoording. De decentralisatie is nooit bedoeld om 350 nieuwe facturatiesystemen te bedenken. Dat is een mooie centrale taak, maar het Rijk moet wel echt afblijven van de inhoudelijke inrichting. Het zou wel helpen als er wettelijk een integrale toegang in het sociaal domein komt met een verantwoordingregime dat daarbij past. Ik vind ook dat de Tweede Kamer nog maar één keer per jaar een voortgangsdebat zou moeten houden. Blijf weg van de inhoud en bemoei je je vooral niet met de handelswijze van individuele gemeenten.”
Nog wat verder kijkend ziet Van Dijk nieuwe perspectieven aan de horizon: de toevoeging van kinderopvang, ggz en de verpleeghuiszorg aan het gemeentelijke takenpakket bieden nieuwe mogelijkheden om de inclusieve samen-leving nog meer vorm te geven op lokaal niveau. “Er zijn nog ontbrekende schakels, die we best aan gemeenten kunnen overlaten.” Maar, haast hij zich te zeggen, voor-lopig even niet. “Laten we eerst onze aandacht richten op de huidige vraagstukken rondom de decentralisatie. Vooral op het gebied van cultuurverandering is er nog het nodige te doen.”

WEEFFOUT HERSTELLEN
Maar hoe organiseer je nu het vervolg van de integrale samenwerking en hoe houd je het betaalbaar? Het antwoord van Van Dijk: doorontwikkelen op de bedoeling. Diverse gemeenten in deze bundel laten zien dat ze al volop bezig zijn om maatschappelijke organisaties een prominente rol te geven, zodat het accent op preventie komt te liggen. Daarmee wordt ook de weeffout van de verschillende mensbeelden weer goedgemaakt, denkt Van Dijk. “Door te werken aan een inclusieve samenleving, waarbij je de mens centraal stelt en niet z’n ziekte of gebrek, en je dus regelt dat de boel geschikt is voor iedereen, werk je onbedoeld al aan preventie en kostenreductie. Geen aparte, dure voorzieningen. Geen aangepaste bussen dus, maar bussen toegankelijk maken. Hoe meer je oplost met toegankelijkheid, hoe beter het wordt.”
Dat vergt wel investeringen. Zijn eigen gemeente steekt veel extra geld in sport, bijvoorbeeld voor het project ‘Achterhoek in Beweging’. “Dit levert op termijn niet alleen betere gezondheid op voor inwoners, maar ook extra sociale contacten. Daar wordt de samenleving leuker van en het land zorgzamer.”

‘Maak de samenleving gewoon inclusief – dan werk je vanzelf aan preventie en kostenreductie’

HUISARTSEN
Wat Van Dijk betreft gaat ook de indicatiestelling op de helling. “Oude vormen zoals de indicatiestelling vanuit het CIZ zijn gewoon rechtstreeks naar de gemeentehuizen verhuisd. Dat is geen verwijt, want de gemeenten zagen het als hun eerste opdracht om niemand tussen de wal en het schip te laten belanden. Maar het is nu tijd om te zoeken naar nieuwe vormen. Wat kunnen we leren van andere werkwijzen?”
Zo’n interessant systeem vindt hij de aanpak van de huisartsen. Zij zijn poortwachter voor de gespecialiseerde zorg, maar behandelen zelf ook een groot deel van de klachten. “Uit onderzoek in onze eigen gemeente blijkt dat huisartsen veel minder en anders doorverwijzen dan de gemeente zelf. Met minder kosten. Daar kunnen we van leren.” Oude IJsselstreek gaat vanaf volgend jaar dan ook werken met zorgteams in de wijk waarbij medewerkers zélf eerstelijns jeugdhulp verlenen. Zonder indicatie, zo laagdrempelig mogelijk. En medewerkers kunnen doorverwijzen naar zwaardere zorg als dat echt nodig is.
Een soort huisartsenmodel dus. “De strakke knip tussen indicatiestelling en hulpverlening in de eerste lijn heffen we op. Normalisatie is daarbij ook een belangrijk uitgangspunt. Is het echt nodig dat één op de tien kinderen een indicatie heeft? Dat moet echt anders kunnen.” Van Dijk vindt het belangrijk om professionals hierbij de ruimte te geven. “Zij weten zelf echt waar het meer of minder kan. We willen geen protocollenterreur, maar ruimte voor het eigen verhaal.”